Waarom zou ik in de opstanding van Christus moeten geloven?



Vraag: "Waarom zou ik in de opstanding van Christus moeten geloven?"

Antwoord:
Het is een vaststaand feit dat Jezus Christus in de 1e eeuw na Christus in Judea in het openbaar werd geëxecuteerd, onder het bewind van Pontius Pilatus, door middel van een kruisiging, op verzoek van de Joodse Sanhedrin. De seculiere historische verslagen van Flavius Josephus, Cornelius Tacitus, Lucianus van Samosata, Maimonides en zelfs het Joodse Sanhedrin bevestigen de vroege Christelijke ooggetuigenverslagen van deze belangrijke historische aspecten van de dood van Jezus Christus.

Wat Zijn opstanding betreft bestaan er verschillende bewijsvoeringen die samen een overtuigend betoog vormen. Een beroemd advocaat verwoordde het Christelijke enthousiasme en het vertrouwen in de kracht van het betoog voor de opstanding toen hij het volgende schreef: “Ik heb meer dan 42 jaar in grote delen van de wereld als verdedigingsadvocaat gewerkt en ik ben in dit vak nog steeds actief. Ik ben fortuinlijk genoeg geweest om een aantal successen in rechtszaken te behalen en ik kan onomwonden stellen dat de bewijslast voor de opstanding van Jezus Christus zó overweldigend is dat de opstanding wel aanvaard moet worden op basis van die bewijslast, die geen enkele ruimte voor twijfel laat.”

De reactie van de seculiere gemeenschap op datzelfde bewijsmateriaal is voorspelbaar en apathisch gebleken, in overeenstemming met hun onverwoestbare toewijding aan het methodologische materialisme. Voor de mensen die dit begrip niet kennen: het methodologische materialisme is de menselijke inspanning om alle dingen te verklaren in termen van natuurlijke oorzaken en niets anders dan natuurlijke oorzaken. Als een vermeende historische gebeurtenis niet door middel van een natuurlijke uitleg kan worden verklaard (zoals bijvoorbeeld een wonderbaarlijke opstanding), dan wordt deze door seculiere geleerden in het algemeen met een overweldigend scepticisme behandeld, ongeacht de bewijslast en ongeacht de kracht van die bewijslast ten gunste van de betreffende gebeurtenis.

In onze ogen is een dergelijke standvastige loyaliteit aan natuurlijke oorzaken – ondanks substantieel bewijs voor het tegenovergestelde standpunt - niet bevorderlijk voor een onpartijdig (en dus adequaat) onderzoek van het bewijsmateriaal. Een bekend wetenschapper en historicus zei ooit: “Wanneer je gedwongen wordt om slechts één conclusie te geloven, dan schendt dat de objectiviteit van de wetenschap zelf.” Laten we nu, dit gezegd hebbend, eens naar de verschillende bewijsvoeringen kijken voor de opstanding van Jezus.

De eerste bewijsvoering voor de opstanding van Christus
Op de eerste plaats hebben we aantoonbaar oprechte ooggetuigenverslagen. Vroege Christelijke apologeten citeerden honderden ooggetuigen, waarvan enkele hun eigen vermeende ervaringen hadden gedocumenteerd. Een groot aantal van deze ooggetuigen ondergingen bereidwillig en resoluut langdurige folteringen en waren zelfs bereid om te sterven voor hun getuigenis. Dit getuigt van hun oprechtheid en sluit bedrog van hun zijde uit. Volgens het historische verslag (het boek Handelingen 4:1-17; de brieven van Plinius aan Trajanus X, 96, enzovoorts) hadden de meeste Christenen hun lijden kunnen beëindigen door eenvoudigweg hun geloof af te zweren. Maar de meesten besloten dit lijden te ondergaan en de opstanding van Christus tot in de dood te verkondigen.

We geven toe dat dit martelaarschap, hoewel opmerkelijk, niet noodzakelijkerwijs overtuigend is. Het valideert ook niet zozeer het geloof als de gelovige zelf (door zijn of haar oprechtheid op een zichtbare manier aan te tonen). Maar wat de vroegste Christelijke martelaren zo opmerkelijk maakt, is dat zij wisten of de dingen waarvan zij getuigden al dan niet waar waren. Zij zagen Jezus Christus na Zijn dood levend en wel, of zij zagen Hem niet. Als het allemaal gewoon een leugen was, waarom bleven zo veel mensen deze leugen dan verspreiden, gezien hun omstandigheden? Waarom zouden zij zich allemaal zo aan een leugen vastklampen, als deze leugen hen niets opleverde dan vervolging, gevangenschap, folteringen en de dood?

Hoewel de daders van de zelfmoordaanslagen op 11 September, 2001 in Amerika ongetwijfeld geloofden wat zij verkondigden (zoals wordt bewezen door hun bereidwilligheid om ervoor te sterven), toch konden zij niet weten of hun geloof waar was. Zij geloofden in tradities die hen via vele generaties waren overgeleverd. Maar de vroege Christelijke martelaren waren zelf de eerste generatie. Of zij zagen wat zij beweerden gezien te hebben, of zij zagen dit niet.

De apostelen waren de belangrijkste ooggetuigen. Gezamenlijk ondergingen zij een onmiskenbare transformatie die volgde op de vermeende verschijningen van Christus na Zijn opstanding. Onmiddellijk na Zijn kruisiging hadden zij zich nog verstopt om hun eigen hachje te redden. Maar na de opstanding gingen zij dapper de straat op om de opstanding te verkondigen, zelfs toen de vervolging intensiveerde. Wat kan hun plotselinge en drastische verandering verklaren? Het ging zeker niet om financieel winstbejag. De apostelen gaven alles op wat ze hadden, ook hun eigen leven, om de opstanding te verkondigen.

De tweede bewijsvoering voor de opstanding van Christus
Een bewijsvoering heeft te maken met de bekering van enkele vroege sceptici, waarvan Paulus en Jakobus de bekendste zijn. Paulus gaf zelf toe dat hij een gewelddadige vervolger van de vroege Kerk was. Na een gebeurtenis die hij beschreef als een ontmoeting met de opgestane Christus, onderging Paulus een onmiddellijke en drastische transformatie van een haatdragende vervolger van de Kerk tot een van haar vruchtbaarste en meest onzelfzuchtige verdedigers. Net als veel andere vroege Christenen leed Paulus voor zijn standvastige toewijding aan de opstanding van Christus onder armoede, vervolging, afranselingen en gevangenschap en werd hij uiteindelijk geëxecuteerd.

Jakobus was sceptisch, maar niet zo vijandig als Paulus. Een vermeende ontmoeting met Christus na Zijn opstanding leidde ertoe dat hij een leider van de kerk in Jeruzalem werd. We hebben nog steeds een brief in handen die door Schriftgeleerden in het algemeen aanvaard wordt als één van zijn brieven aan de vroege Kerk. Net als Paulus was Jakobus bereid om voor zijn getuigenis te lijden en te sterven, een feit dat de oprechtheid van zijn geloof ondersteunt (zie het boek handelingen en Josephus’ Joodse Oudheden XX, ix, 1).

De derde en vierde bewijsvoering voor de opstanding van Christus
Een derde bewijsvoering bestaat uit het getuigenis van tegenstanders over het lege graf. De vierde bewijsvoering is het feit dat het geloof in de opstanding in Jeruzalem wortel schoot. Jezus werd in Jeruzalem in het openbaar geëxecuteerd en begraven. Het zou onmogelijk zijn geweest dat dit geloof juist in Jeruzalem had kunnen beginnen, als Zijn lichaam nog in het graf had gelegen en het Sanhedrin dit had kunnen opgraven en openbaar had kunnen tentoonstellen, om zo het bedrog te ontmaskeren. Maar in plaats daarvan beschuldigde het Sanhedrin de apostelen van de diefstal van het lichaam, kennelijk in een poging om de verdwijning ervan (en dus ook het lege graf) te verklaren. Hoe kunnen we verklaren dat het graf leeg was? Hier volgen de drie meest voorkomende verklaringen:

De eerste verklaring is dat de discipelen het lichaam gestolen hadden. Als dit het geval was geweest, dan zouden zij geweten hebben dat de opstanding een bedrog was. Zij zouden er dan niet zo bereidwillig voor geleden hebben en ervoor gestorven zijn (zie de eerste bewijsvoering over aantoonbaar oprechte ooggetuigenverslagen). Alle ooggetuigen zouden dan geweten hebben dat ze Christus niet echt hadden gezien en zouden dus leugenaars zijn geweest. Maar in zo’n grote groep samenzweerders zou er toch zeker wel iemand geweest zijn die het bedrog toegegeven zou hebben, al was het maar om zijn eigen lijden of het leed van zijn vrienden en familieleden te beëindigen. De eerste generatie Christenen werd absoluut wreed behandeld, vooral na de grote brand in Rome in 62 na Christus (men denkt dat Nero hier zelf opdracht toe had gegeven om ruimte te maken voor de uitbreiding van zijn paleis, maar hij beschuldigde de Romeinse Christenen hiervan om zichzelf vrij te pleiten). Zoals de Romeinse historicus Cornelius Tacitus schreef in zijn Annalen van het Romeinse Rijk (dat slechts een generatie na de brand werd gepubliceerd):

“Derhalve, om van dit bericht af te komen, gaf Nero de schuld aan en voerde hij de meest geraffineerde folteringen uit op een klasse die om hun slechtheid gehaat wordt, door het volk Christenen genoemd. Christus, waarin de naam zijn oorsprong had, leed de ultieme straf tijdens de heerschappij van Tiberius, onder de handen van één van onze procurators, Pontius Pilatus, en een hoogst verderfelijk bijgeloof, dat daardoor tijdelijk de kop werd ingedrukt maar dat later niet alleen in Juda weer uitbrak, de eerste bron van het kwaad, maar zelfs in Rome, waar alle dingen die afgrijselijk en schandelijk zijn uit alle hoeken van de wereld hun centrum vinden en populair worden. Zodoende werden allen die schuld bekenden gearresteerd; daarna werd, gebaseerd op hun informatie, een immense massa veroordeeld, niet zozeer vanwege de misdaad dat zij de stad in brand hadden gestoken, maar vanwege de misdaad van haat tegen de mensheid. Hoon van elke mogelijke soort werd aan hun dood toegevoegd. Gehuld in dierenhuiden werden ze verscheurd door honden en vergingen, of ze werden aan kruisen genageld, of ze werden veroordeeld tot de vlammen en verbrandden, om als nachtelijke verlichting te dienen, nadat het daglicht was heengegaan.” (Annalen, XV, 44)

Nero verlichtte zijn tuinfeesten met Christenen die hij levend verbrandde. Enkelen van hen zouden toch zeker wel de waarheid opgebiecht hebben wanneer zij met een dergelijke pijn bedreigd zouden worden? Maar het is een feit dat we geen enkele vermelding kunnen vinden van een Christen die in die tijd zijn geloof afzwoer om zijn lijden te beëindigen. In plaats daarvan hebben we een groot aantal verslagen van verschijningen van Christus na Zijn opstanding en honderden ooggetuigen die bereid waren om hiervoor te lijden en te sterven.

Als de discipelen het lichaam niet hadden gestolen, hoe kunnen we het lege graf dan verklaren? Sommigen hebben gesuggereerd dat Christus Zijn dood voorwendde en later uit het graf ontsnapte. Dat is ronduit absurd. Volgens de ooggetuigenverslagen werd Christus geslagen, gefolterd, opengescheurd en doorboord. Hij leed aan interne verwondingen, leed massaal bloedverlies, verstikte en werd met een speer in Zijn hart gestoken. Er is geen goede reden om te geloven dat Jezus Christus (of enig ander mens) een dergelijke beproeving zou kunnen overleven om vervolgens Zijn dood voor te wenden, om drie dagen en nachten zonder medische zorg, voedsel of water in een graf te zitten, om vervolgens de massieve steen weg te rollen die het graf afsloot, om ongezien te ontsnappen (zonder een bloedspoor achter te laten), om honderden ooggetuigen ervan te overtuigen dat Hij uit de dood was opgestaan en in goede gezondheid verkeerde, en om uiteindelijk te verdwijnen zonder ook maar een spoor achter te laten. Een dergelijk idee is belachelijk.

De vijfde bewijsvoering voor de opstanding van Christus
Een vijfde bewijsvoering heeft te maken met de bijzonderheden van de ooggetuigenverslagen. In alle belangrijke vertellingen over de opstanding worden vrouwen aangewezen als de eerste en belangrijkste ooggetuigen. Dit zou wel een heel raar verzinsel zijn, omdat vrouwen zowel in de Joodse cultuur als in de Romeinse cultuur van die tijd een bijzonder gering aanzien hadden. Hun getuigenis werd als onbetrouwbaar en ongeldig beschouwd. Met dit in het achterhoofd is het zeer onwaarschijnlijk dat een groep samenzweerders in de 1e eeuw in Judea een stel vrouwen zou uitkiezen als de voornaamste getuigen voor hun bedrog. Er waren zo veel mannelijke discipelen die beweerden Jezus na Zijn opstanding gezien te hebben. Als zij allemaal gelogen zouden hebben en als de opstanding een bedrog zou zijn geweest, waarom kozen zij dan de vrouwelijk getuigen die het minst vertrouwd en het minst geacht werden?

Als je de rol van vrouwen in de Joodse samenleving in de eerste eeuw begrijpt, dan is het in dit verhaal werkelijk uitzonderlijk te noemen dat juist vrouwen het lege graf ontdekten. Vrouwen stonden op een zeer lage trede van de sociale ladder in het Palestina van de eerste eeuw. Er zijn oude rabbinale gezegden die zeiden: “Laat de woorden van de Wet eerder verbrand worden dan aan vrouwen worden afgeleverd.” En: “Gezegend is hij wiens kinderen mannelijk zijn, maar wee hem wiens kinderen vrouwelijk zijn.” Een getuigenis van een vrouw was in deze cultuur zo waardeloos, dat vrouwen niet eens als wettelijke getuigen in Joodse rechtszaken konden optreden. In dit licht gezien is het ronduit opmerkelijk te noemen dat deze vrouwen de voornaamste getuigen van het lege graf waren… Elke later verzonnen legende zou ongetwijfeld mannelijke discipelen genoemd hebben als de ontdekkers van het graf – Petrus of Johannes, bijvoorbeeld. Het feit dat vrouwen de eerste getuigen van het lege graf waren, wordt het meest plausibel verklaard door de realiteit dat zij echt de eerste ontdekkers van het lege graf waren! Dit laat zien dat de schrijvers van de Evangelies de gebeurtenissen waarheidsgetrouw vastlegden, zelfs als dit enigszins beschamend was. Dit getuigt van de historiciteit, niet van een legendarische status van de traditie.

Samengevat
We hebben dus de volgende bewijsvoeringen: de aantoonbare oprechtheid van de ooggetuigen (en in het geval van de apostelen een overtuigende onverklaarbare transformatie), de bekering en de aantoonbare oprechtheid van belangrijke tegenstanders of sceptici die in martelaren veranderden, het lege graf, het getuigenis van tegenstanders over het lege graf, het feit dat dit alles plaatsvond in Jeruzalem waar het geloof in de opstanding begon en opbloeide, het getuigenis van de vrouwen en het belang van een dergelijk getuigenis gezien de historische context. Al deze zaken getuigen van de historiciteit van de opstanding. Wij moedigen onze lezers aan om eens goed over al deze bewijsstukken na te denken. Wat suggereren deze volgens jou? Toen wij er nog eens goed over nadachten, konden we alleen maar het volgende zeggen: “De bewijslast voor de opstanding van Jezus Christus is zó overweldigend dat de opstanding wel aanvaard moet worden op basis van die bewijslast, die geen enkele ruimte voor twijfel laat.”


Terug naar Nederlandse home page



Aanbevolen door GotQuestions.org:



Waarom zou ik in de opstanding van Christus moeten geloven?